ApothekerIk ben arts en heb last van het imposter syndrome

Ik ben arts en heb last van het imposter syndrome
Naar actueel

Ik ben arts en heb last van het imposter syndrome

Herken je dat gevoel dat je eigenlijk onvoldoende kennis hebt om te doen wat je doet? Dat je elk moment door de mand kunt vallen? Daar bestaat een term voor: het imposter syndrome. Dit staat niet in de DSM-V, maar misschien verdient deze in onze generatie veel voorkomende kwaal daar wel een plekje? Meike Blezer blogt over haar eerdere ervaringen als arts-assistent in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Ze heeft het lef om zich uit te spreken over het imposter syndrome, iets waar veel artsen last van hebben in hun dagelijks werk.

Nooit had ik gedacht dat ik in de psychiatrie zou werken. Laat staan de kinder- en jeugdpsychiatrie. Bij Talent&Care dachten ze echter dat dit goed bij mij zou passen en daarop vertrouwende ben ik gaan solliciteren. Maar veel achtergrondkennis had ik dus niet. Na een maandje inwerktijd draaide ik mijn allereerste dienst. Dat wil zeggen: bereikbaarheidsdienst in de avond en nacht tussen twee werkdagen in. Je bent dan als enige arts-assistent bereikbaar voor de hele instelling met een kinder- en jeugdpsychiater als achterwacht.

Last van zenuwen

Overdag werd een psychotische jongen aangemeld, die niet meer hanteerbaar of veilig was bij de instelling waar hij verbleef. Hij probeerde zichzelf te wurgen en van het balkon te springen, de stemmen in z’n hoofd vertelden hem namelijk dat hij dat moest doen. Na eindeloze pogingen om hem uit te plaatsen (we zaten vol) werd uiteindelijk besloten een klapbedje op de Acute Opname te zetten. Wetende dat hij ergens in de avond met de ambulance gebracht zou worden, kreeg ik steeds meer last van zenuwen. Ik had nog nooit een psychotisch iemand gezien! Moet ik deze jongen nu opnemen, beoordelen en het beleid gaan bepalen? Help!

Lagen de patiënt en ik ineens samen op de grond. Lekker begin

Ik belde de achterwacht en legde de situatie uit. Gelukkig. De psychiater zou ‘in huis’ komen zodat we het samen konden doen. Ze moest echter nog wel een tijdje rijden voordat ze ter plaatse was en - je raadt het al - de ambulance kwam eerder dan verwacht. Ik begon daarom toch alvast met het gesprek. De jongen lag vastgebonden op de brancard. Toen ik hem naar de spreekkamer wilde helpen: Bam! Viel hij bij het afstappen zo de brancard af. Ik probeerde hem nog op te vangen, maar helaas. Daar lagen we dan. Met z’n tweeën op de grond. Door alle benzo’s die hij had gehad, ontbrak hem de kracht om op zijn eigen benen te staan. Gelukkig tilden de gespierde ambulanciers hem weer op zijn klapbed voor me. Wat een lekker begin.

Beestjes uit de oren

Ik ademde diep in en begon mijn gesprek. De informatieverwerking bij de patiënt verliep langzaam, alsof hij tegelijkertijd nog honderd andere mensen tegen hem hoorde praten. Hij keek me achterdochtig aan en leek te verbloemen dat hij dingen hoorde en zag die er niet waren. Als ik mijn aandacht tot zijn familie richtte, zat hij naast ons in de lucht te plukken. Later keek hij gebiologeerd naar de oren van de sociotherapeut. Met zijn gezicht op zo’n 20 cm afstand van de hare beschreef hij de oranje beestjes die uit haar oren kwamen. Aha, nu snapte ik wat men bedoelt met ‘psychotisch’.

De rest van de nacht vulde zich met telefoontjes van de sociotherapeuten:

‘Mag hij nog meer benzo’s?’

‘Prima, maar pas over één uur, anders krijgt hij te veel achter elkaar.’

‘Hij is niet te houden. Ik moet de hele tijd achter hem aanlopen en bij alle deuren weghouden, zodat hij niet ontsnapt of andere jongeren wakker maakt. Daarnaast zakt hij steeds door z’n benen. Kan hij niet naar de separeer?’

‘Nee, hoe lastig en bewerkelijk dit ook is, hij is niet agressief of gevaarlijk. Dus hij mag niet naar de separeer.’

De hele avond speelde door mijn hoofd: Moet ik, met één maand ervaring, hen nou adviseren? Ik had het gevoel dat ik elk moment door de mand zou vallen. Ze zouden er ongetwijfeld snel achter komen dat ik eigenlijk helemaal niets wist.

Ze belden mij om grof geschut in te zetten!

Frisse moed

Goed dan, dat was een vuurdoop. Maar iedereen verzekerde me dat de diensten normaal minder heftig waren. Dus met frisse moed begon ik aan mijn tweede dienst. Ik zat nog wat administratie af te handelen en wilde net naar huis gaan toen mijn diensttelefoon afging: ‘Er is een ernstig geweldsincident op het terrein.’ Er was alarm gemaakt en sociotherapeuten van verschillende afdelingen hadden de agressieve jongen inmiddels overmeesterd. Ze belden om grof geschut in te zetten. Daarmee bedoelden ze mij!

Ik vond hen in de tuin. De 15-jarige jongen lag al scheldend en tierend op zijn buik. Vijf sociotherapeuten hielden hem op de grond, maar hij bleef zich verzetten. Wat was er nou gebeurd? De autistische jongen met emotieregulatie problemen ging door het lint toen andere jongeren ongevraagd zijn voetbal hadden gepakt. De drie sociotherapeuten die hem probeerden te kalmeren, hadden allemaal verwondingen. Een opgezette kaak, een bijtwond, een gekneusde duim en een flinke bult. Juist! Wat te doen?

Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen zodat hij me kon zien. Hij bleef roepen dat z’n arm zo’n pijn deed. Als hij stopte met vloeken en rustig bleef liggen, mocht de sociotherapeut van mij zijn arm ietsje los laten. Dit lukte en hij kalmeerde een beetje. Al pratend konden de therapeuten hem stapje bij beetje steeds meer loslaten. Twee sociotherapeuten hielpen hem overeind en brachten hem naar de afzonderingsruimte om af te koelen. Over een kwartier zouden we terugkomen. Door veel op hem in te praten, te onderhandelen, een grote berg geduld en vooral de belofte dat hij zijn moeder mocht bellen, kregen we hem vrijwillig gesepareerd voor de nacht. Terwijl hij bijkwam van alle hectiek en stress van het afgelopen uur, deden de therapeuten en ik dat ook. In alle rust verbond ik de gewonde sociotherapeuten en zakte ons adrenaline niveau weer langzaam naar normaal.

Ik bleef het gevoel houden dat ik de boel belazerde

Hoofd koel houden

Opnieuw dacht ik: Hoe weet ik nou wat ik moet doen?! Ik bleef het gevoel houden dat ik de boel belazerde en dat collega’s er elk moment zouden achter komen dat ik eigenlijk helemaal niets wist. Maar met behulp van mijn achterwacht, de protocollen op intranet, de geneesheerdirecteur, common sense en vooral door het hoofd koel te houden, kwam ik er telkens toch wel uit.

Ik bleef het gevoel houden dat ik de enige was die eigenlijk niet weet wat ze aan het doen is. Ik moest van mezelf de harde realiteit onder ogen zien.Tijd om op te biechten dat ik me soms een beetje een bedrieger voel. En wat ontdekte ik? Ik was lang niet de enige met dit gevoel! Ook die arts-assistent, die super zeker van zichzelf lijkt te zijn, blijkt hier last van te hebben. Evenals die ene vriendin die altijd een stap voor lijkt te lopen op de rest. Zelfs m’n supervisor voelt zich nog regelmatig onzeker. Say what?! We hebben blijkbaar allemaal stiekem last van imposter syndrome.

Daarom wil ik alle andere startende artsen een hart onder de riem steken: je bent niet alleen. Welcome to the club! Er is wat lef voor nodig maar wees niet bang om dit gevoel en je twijfels bespreekbaar te maken, juist daar leren we van. Zo kunnen we met elkaar de zorg weer een stukje beter maken.

Onze opdrachtgevers zijn onder andere